In 1983 lukte het voor het eerst een transgene plant te maken. Het duurde echter tot 1994 voor een transgene plant voor het eerst commercieel werd geteeld. Het betrof een transgene tomaatplant die zodanig gemanipuleerd was dat de tomaten langer houdbaar waren. In de praktijk bleek dat echter nogal tegen te vallen en het project mislukte al binnen enkele jaren. Een jaar later kwamen er meer transgene planten op de (Amerikaanse) markt: soja, katoen en koolzaad en nog weer een jaar later maïs. Feitelijk zijn het nog steeds vrijwel uitsluitend deze vier gewassen die in transgene vorm commercieel worden geteeld. Wel wordt er hard gewerkt aan onder andere transgene rijst, tarwe, aardappel, maar deze zijn nog niet op de markt. In 2007 is in de VS een gemanipuleerde pruimensoort toegelaten voor commerciële teelt. Een toelating van gemanipuleerde Alfalfa uit 2005 is door een Amerikaanse rechtbank weer teruggedraaid omdat het ministerie van landbouw (USDA) geen goede milieu risico analyse had gemaakt. Het is voor het eerst dat een rechtbank in de VS roet in het eten gooit van de gentechindustrie. Commerciële teelt van herbicide resistente suikerbiet lijkt in de VS erg dichtbij.
Herbicidenresistentie
Insectresistentie
Virusresistentie
Waar worden ze vooral geteeld?
Veldproeven
Gentechbossen
Merkergentechnologie
Tot nu toe is er slechts een zeer beperkt aantal eigenschappen die in transgene gewassen worden ingebouwd. Het gaat met name om herbicide-resistentie en in tweede instantie om insectresistentie. Bij herbicide-resistentie wordt een plant zodanig gemanipuleerd dat hij resistent wordt tegen een bepaald onkruidbestrijdingsmiddel. Hierdoor kan het bestrijdingsmiddel tijdens de groei van de plant worden toegediend zonder dat de plant sterft. Het betreft tot nu toe vooral de bestrijdingsmiddelen glyfosaat en in mindere mate glufosinaat-ammonium, middelen die normaal gesproken praktisch alle planten doden. Met name soja en koolzaad zijn herbicide resistent gemaakt. Wel wordt er hard gewerkt en veel onderzoek gedaan om planten droogte resistent of zoutresistent te maken. Monsanto hoopt rond 2010 de eerste droogte resistente gewassen op de markt te kunnen brengen.
top
Bij insectresistentie wordt de plant zodanig gemanipuleerd dat hij ongevoelig wordt voor een bepaald plaaginsect. Hiervoor worden genen gebruikt van een bodembacterie, de Bacillus thuringiensis (Bt). De insectresistente transgene planten worden daarom ook wel Bt-gewassen genoemd. Deze toepassing vinden we vooral bij maïs en katoen, maar er zijn ook herbicide-resistente maïs en katoen en soms worden beide eigenschappen in een plant ingebouwd. Van alle transgene gewassen die momenteel commercieel geteeld worden is ongeveer 68% herbicide-resistent, 19% insectresistent en 13% heeft beide eigenschappen.
top
Een heel klein percentage van de gemanipuleerde gewassen betreft virusresistentie. Het gaat om een papaja die op Hawaï is ontwikkeld en daar commercieel wordt geteeld. De hoop was dat deze papaja de papaja industrie op Hawaï weer zou laten groeien maar anno 2007 is dat nog niet gelukt. Deze papaja wordt in Thailand op proefvelden getest. Bij papaja in beide landen is contaminatie van niet gemanipuleerde papaja vastgesteld. Ook de in de VS toegelaten pruimensoort is virusresistent. In Uganda wordt een virusresistente banaansoort getest, die mogelijk al snel voor commerciële teelt wordt toegelaten.
top
De overgrote meerderheid van deze transgene gewassen wordt in slechts twee landen geteeld: de VS (53% van de mondiale teelt), Argentinië (20%) gevolgd door Canada (6%), Brazilië (6%) en India (5%). Het aantal landen waar transgene gewassen (zij het nog op kleine schaal) commercieel wordt geteeld neemt wel toe en betreft landen als Uruguay, Colombia, Zuid-Afrika, India, Bulgarije, Paraguay, Filippijnen, Duitsland, Frankrijk, Spanje.
top
Naast de commerciële teelt vinden er ook veldproeven plaats met transgene planten. Hierbij gaat het om allerlei proeven met allerlei gewassen. (granen, peulvruchten, groenten, fruit) Behalve het testen van gewassen voor allerlei landbouw en voedingsdoeleinden worden er ook gewassen getest die medicinale stoffen, zoals groeihormonen of anti-conceptiemiddelen, voor de farmaceutische industrie moeten gaan produceren. Er is zeer veel kritiek op het testen in de open lucht van planten met dit soort stoffen omdat er een reeel gevaar is dat daarmee de voedingsgewassen worden besmet. Ook worden er transgene planten getest voor andere industriële doeleinden, bijv. verhoogd oliegehalte in koolzaad voor de biodiesel en zetmeelaardappel voor niet-voedingsdoeleinden. Dit laatste gebeurt onder andere in Nederland door AVEBE. In Europa is het aantal veldproeven sinds 1999 drastisch afgenomen. Door de grote publieke weerstand in de EU
tegen gemanipuleerde voeding die sinds 1996 zichtbaar werd, gaf een deel van de voedingsindustrie aan geen transgene planten als grondstof te willen. Zo liet bijv. de suikerindustrie weten niet te zitten wachten op gemanipuleerde suikerbiet. Mede hierdoor sloot Syngenta in 2000 de gentech-onderzoekscentra in de EU. Ook andere bedrijven verlegden hun gentechproefvelden naar de VS of andere landen buiten de EU. Alleen in Spanje vonden in 2003 nog op ruime schaal veldproeven plaats. In Nederland zijn er naast de genoemde aardappelproeven ook nog proefvelden met cichory en appel. In de EU is het aantal veldproeven tussen 1999 en 2003 drastisch gedaald, maar sinds 2004 zien we weer een grote toename in veldproeven met gemanipuleerde gewassen, met name maïs, suikerbiet, en aardappel.
De industrie meent dat de weerstand in Europa aan het afnemen is en denkt over enkele jaren veel makkelijker
gentechgewassen in de EU te kunnen introduceren.
top
Een niet vaak belicht onderzoeksgebied binnen de gentechnologie is de ontwikkeling van transgene bomen. Onderzoek vindt plaats op tal van aspecten. Ook hier vinden we de bij planten toegepaste herbicide resistentie en insectenresistentie, maar verder is er ook onderzoek naar verlaagd lignine-gehalte, snellere groei, andere kleur, niet-bloeiend, droogte-resistentie etc. Veldproeven met gentechbomen vinden onder andere plaats in de VS, Chili, Indonesie, Zuid Afrika, Nieuw Zeeland en China. De toepassingen zijn met name gericht op kwaliteiten die handig zijn voor de papier en houtindustrie. Critici wijzen er echter op dat bomen gigantisch complexe ecosystemen zijn en tot op grote afstanden stuifmeel en zaden kunnen verspreiden.
top
Hierbij wordt DNA analyse gedaan naar planten die waardevolle agronomische aspecten vertonen om te ontdekken welke genen daarvoor
verantwoordelijk zijn.
Met die kennis kan men in het selectieproces zien of een bepaalde plant die bepaalde genen ook heeft. Het werken met merkergenen is een weinig omstreden gebied binnen de gentechnologie. Toch zijn er wel enige kanttekeningen bij te plaatsen, met name als het gaat om het nut van deze techniek voor arme landen. De techniek is relatief duur en daardoor eigenlijk alleen rendabel bij duurdere land en tuinbouwzaden. Echt rendabel wordt de techniek pas bij gewassen die op hele grote oppervlakten kunnen worden geteeld. Dit staat echter weer haaks op de wenselijke benadering om zoveel mogelijk lokaal aangepaste zaden te gebruiken.
In 2003 hield de FAO een internetdebat over merkergentechnologie. De hele discussie valt terug te lezen op het volgende forum: FAObiotech.
Wel is het zo dat veredeling van gewassen op deze manier, dus selecteren op gewenste eigenschap, wanneer het gaat om ziekte-resistentie, niet de meest kansrijke lijkt te zijn. Resistentie tegen ziekten die op deze manier zijn verkregen, worden vaak binnen één of enkele teeltseizoenen doorbroken door de ziekte, waardoor men bezig kan blijven. Hier tegenover staat de techniek van de brede horizontale veredeling, waarbij men er naar streeft planten resistent te laten zijn op een natuurlijk manier: de oogst wordt wel enigszins aangetast, maar van een misoogst is geen sprake en er blijft een natuurlijk evenwicht tussen het gewas en zijn belagers. top