Gentech logo

Dè Nederlandstalige website voor informatie over genetische manipulatie van landbouwgewassen en voedsel en de gevolgen voor mens, milieu, dieren, ontwikkelingslanden en consumenten wereldwijd.


/ Home / Info / Wet en Regelgeving

XI Wet en Regelgeving

 

OECD
Wezenlijke gelijkwaardigheid
Codex Alimentarius
EU en landelijke regels
Etikettering
Risicobeoordeling en nationale moratoria
Coëxistentie
Nederlands beleid
Biodiversiteitsconventie en Bioveiligheidsprotocol

OECD

De wet- en regelgeving rondom gentechnologie is in het begin sterk beïnvloed door de OECD (OESO), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. De bemoeienis van de OECD kwam voort uit het feit dat veel westerse overheden een grote rol voor gentechnologie zagen in de economie van de toekomst en dat daarbij harmonisatie van regelgeving gewenst was. Vandaar dat de OECD richtlijnen uitgaf over wat voor eisen er aan gentechproducten gesteld moesten worden.

Veel uit die richtlijnen werd overgenomen door nationale overheden en/of samenwerkingsverbanden als de EU. De VS hebben echter nooit enige wetgeving voor gentechproducten geïntroduceerd; nieuwe gentechgewassen moeten daar alleen aan de bestaande milieuwetgeving voldoen. Daardoor kennen de VS ook geen verplichte etikettering van gentech-voedingsmiddelen, zoals in de EU.

De EU heeft in de jaren negentig gentechwetgeving ingevoerd die geïnspireerd was door de OECD, maar heeft deze, in reactie op consumentenverzet, in 2001 en 2004 vervangen door een strengere gentechwetgeving. In de meeste ontwikkelingslanden ligt de situatie anders. Daar ontbreekt het vaak nog aan wet- en regelgeving, of is deze er wel maar ontbreken de instrumenten om haar te handhaven. Zo hebben veel landen niet de benodigde laboratoria om te kunnen onderzoeken of er ggo's in voedselproducten zitten.
Zie OECD/Biotechnologie en OECD/Biosafety-BioTrack.
top

 

Wezenlijke gelijkwaardigheid

Een van de meest omstreden begrippen die door de OECD is geïntroduceerd, is het begrip “wezenlijke gelijkwaardigheid” (Engels: substantial equivalence). Als een gemanipuleerd organisme, afgezien van het nieuwe gen en het nieuwe eiwit, uiterlijk en qua samenstelling niet te onderscheiden is van de niet-gemanipuleerde variëteit, betitelde de OECD beide als "wezenlijk gelijkwaardig". De organisatie adviseerde dat in dat geval de veiligheidsbeoordeling niet heel streng hoefde te zijn. De Amerikanen verwijzen dan naar de "history of safe use" = "geschiedenis van veilig gebruik" van het oorspronkelijke gewas. Dat oorspronkelijke gewas noemen zij ook wel "generally recognised as safe", afgekort GRAS, dat is "algemeen als veilig erkend". Als ze een ggo als wezenlijk gelijkwaardig aan een traditioneel gewas beschouwen, geven zij de term GRAS ook aan het ggo.

Er zijn bij al deze termen natuurlijk twee problemen: enerzijds zijn het nieuwe gen en het nieuwe eiwit (dat in de meeste gevallen nooit eerder geconsumeerd is) al wezenlijke verschillen; anderzijds is de vraag of er wel voldoende onderzoek gedaan is om eventuele andere wezenlijke verschillen te ontdekken: de kans is aanzienlijk dat die er zijn (zie de pagina "Wetenschap"). "Wezenlijk" heeft hier betrekking op de veiligheid van mens, dier en milieu, dus de conclusie dat het nieuwe en het oude organisme "uiterlijk en qua samenstelling niet te onderscheiden zijn", mag niet lichtvaardig getrokken worden.

 

In de oude gentechwetgeving van de EU (vóór 2003) werd het begrip “wezenlijke gelijkwaardigheid”, in navolging van het OECD-advies, gebruikt als startpunt van de risicobeoordeling: als een gentechgewas qua samenstelling en voedingswaarde "wezenlijk gelijkwaardig" werd geacht aan een niet-gemanipuleerd gewas, mocht het toegelaten worden via een verkorte procedure ("kennisgeving", zonder risicobeoordeling). Een deel van de gentechgewassen werd inderdaad via die korte procedure op de markt gebracht, een ander deel via de langere procedure met risicobeoordeling.

 

In de nieuwe gentechwetgeving van de EU is deze korte procedure echter afgeschaft en wordt “wezenlijke gelijkwaardigheid” alleen nog als (verhoopt) eindpunt van de risicobeoordeling beschouwd. Hierdoor heeft het begrip geen invloed meer op de uitvoering van de risicobeoordeling. Alleen het idee dat ggo's wezenlijk gelijkwaardig kunnen zijn aan niet-gemanipuleerde gewassen, ontvangt nog enige kritiek: de gelijkwaardigheid heeft immers slechts betrekking op de onderzochte aspecten; en een van de grote twistpunten is of alle relevante aspecten, dus de "wezenlijke verschillen" tussen een gemanipuleerd en een niet-gemanipuleerd gewas, wel ontdekt worden bij de beoordeling. Deze beperking zou formeel verwoord moeten worden in de conclusie van de risicobeoordeling.

 

Een zeer controversieel punt dat hiermee verbonden is, is dat er nog steeds een aantal gentechgewassen en -micro-organismen op de EU-markt zijn op basis van een vergunning die via de verkorte procedure van "kennisgeving" onder de oude wetgeving verkregen is. Deze ggo's hebben dus tot op heden geen vergunning die op een voedselveiligheidsbeoordeling gebaseerd is. Ze mochten op de markt blijven op voorwaarde dat ze te zijner tijd de beoordeling onder de nieuwe wetgeving ondergaan. In enkele van deze gevallen heeft deze beoordeling door de EFSA (zie onder) inmiddels wel plaatsgevonden, maar is de bijbehorende vergunning door de Europese Commissie nog niet verstrekt. Eén hiervan betreft de MON810 maïs, waarvan de vergunning in 2008 vernieuwd had moeten zijn. In andere gevallen heeft ook de beoordeling nog niet plaatsgevonden. Dit uitstel is te wijten aan de politieke impasse rond gentechvoedsel (zie "Risicobeoordeling en nationale moratoria" hieronder).

 

In de VS vormt het begrip wezenlijke gelijkwaardigheid wel tot op de dag van vandaag de basis van de toelating van gentechvoedingsmiddelen. Daar meende de FDA (Food and Drug Administration) dat als een voedingsmiddel door langdurig gebruik veilig blijkt te zijn en door genetische manipulatie niet zichtbaar verandert ("wezenlijk gelijkwaardig" blijft), ook deze gemanipuleerde variant veilig is ("GRAS", zie boven) en niet nog eens onderzocht hoeft te worden. Op basis van dit standpunt van de FDA heeft de Amerikaanse regering volledig afgezien van aparte wetgeving voor gentechproducten.
top

 

Codex Alimentarius

Een ander internationaal forum dat zich met regelgeving van gentechvoeding bezighoudt is de Codex Alimentarius. Dit is een VN orgaan dat voortgekomen is uit de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de FAO. Binnen de Codex worden normen geformuleerd waar voedselproducten aan moeten voldoen. Oorspronkelijk waren die normen vrijblijvend, maar door de oprichting in 1995 van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die bij het beslechten van handelsgeschillen over voedsel uitgaat van de Codex-normen, zijn deze normen bindend geworden voor de WTO-leden. Er worden voortdurend nieuwe normen ontwikkeld door alle 182 deelnemende landen van de Codex samen. Met betrekking tot gentech-voedsel heeft de Codex Alimentarius inmiddels de volgende normen ontwikkeld (te vinden in de volledige lijst van normen):

  • Principes voor de risicoanalyse van voedingsmiddelen voortgekomen uit moderne biotechnologie (2003).
  • Richtlijn voor het uitvoeren van een voedselveiligheidsbeoordeling van voedingsmiddelen verkregen met behulp van recombinant-DNA planten (2003).
  • Richtlijn voor het uitvoeren van een voedselveiligheidsbeoordeling van voedingsmiddelen geproduceerd met gebruik van recombinant-DNA micro-organismen (2003).
  • Richtlijn voor het uitvoeren van een voedselveiligheidsbeoordeling van voedingsmiddelen verkregen met behulp van recombinant-DNA dieren (2008).
  • Bundeling van Codex-teksten relevant voor het etiketteren van voedingsmiddelen voortgekomen uit moderne biotechnologie (2011).

De huidige Europese wetgeving is min of meer tegelijk met deze normen ontstaan.

De Codexnormen zijn echter veel gedetailleerder dan de Europese wetgeving; voor een vergelijking moet gekeken worden naar de procedures die de EFSA (zie onder) vastgesteld heeft voor de uitvoering van de Europese wetgeving. Dan blijkt dat de EFSA-procedures lang niet voldoen aan de Codexnormen.

 

top

 

EU en landelijke regels

Nederland volgt de EU-wetgeving over gentechnologie. De oorspronkelijke EU-wetgeving voor gentechlandbouw en -voedsel dateerde van 1990 en 1997, maar riep veel consumentenverzet op omdat de risicobeoordeling en de etikettering slecht geregeld waren. In verschillende lidstaten gaven maatschappelijke organisaties daarom productlijsten uit van gentechproducten (in Nederland deed Goede Waar & Co dit). Als gevolg van dit verzet is de EU-wetgeving in 2001 en 2003 vrijwel volledig herzien en omvat nu:

  • Richtlijn 2001/18: introductie van ggo's in het milieu
  • Richtlijn 98/81: ingeperkt gebruik van gg micro-organismen ("ingeperkt" betekent dat het contact met het milieu beperkt wordt, meestal doordat de micro-organismen in beveiligde vaten gebruikt worden)
  • Verordening 1829/2003: veiligheid van gg voedingsmiddelen en veevoer
  • Verordening 1830/2003: traceerbaarheid en etikettering van ggo's en gg voedingsmiddelen en veevoer
  • Verordening 641/2004: nadere bepalingen voor de uitvoering van Verordening 1829/2003 (vergunningaanvragen, kennisgevingen en onvoorziene of technisch niet te voorkomen aanwezigheid van gg materiaal)
  • Verordening 1981/2006: nadere bepalingen voor de uitvoering van Verordening 1829/2003 (communautair referentielaboratorium)

 

Etikettering

Etikettering met de woorden "genetisch gemodificeerd" is onder deze wetgeving verplicht voor alle ingrediënten die afkomstig zijn uit gg planten en voor voedingsmiddelen die geheel uit een ggo bestaan, tenzij het gg materiaal onbedoeld aanwezig is in een hoeveelheid van minder dan 0,9% van het ingrediënt. ("Onbedoeld" moet dan aantoonbaar onvoorzien of technisch niet te voorkomen zijn.)

 

Dit was een aanzienlijke verscherping ten opzichte van de oude EU-wet uit 1997, die alleen etikettering vereiste van gg ingrediënten die chemisch te onderscheiden waren van niet-gg ingrediënten – wat alleen bij eiwit en DNA het geval is. Bijna alle gg voedsel moest hierdoor met ingang van 2004 geëtiketteerd worden. Dat had tot gevolg dat het grootste deel van de Europese voedselindustrie de gg ingrediënten verving door niet-gg ingrediënten. Daardoor is het aandeel gentech-materiaal in Europese voedingsmiddelen aanzienlijk gedaald: ingrediënten uit gg planten zitten er vrijwel niet meer in.
De huidige wet bevat echter nog enkele lacunes. De belangrijkste daarvan (een gevolg van een politiek compromis tussen het Europarlement en de EU-Raad) is dat alleen voedingsmiddelen geëtiketteerd hoeven te worden waarin materiaal uit gg planten direct aanwezig is, dus niet voedingsmiddelen afkomstig van dieren die gg veevoer gekregen hebben: zuivel, vlees, eieren, vis en schaaldieren. (De EU laat hier zelfs ook honing onder vallen, hoewel het gg stuifmeel dat de bijen binnenkrijgen, ook in de honing terechtkomt.) Het gevolg hiervan was dat het aandeel gentechmateriaal in Europees veevoer aanzienlijk gestegen is: tot een niveau waar in Nederland al het niet-biologische veevoer gentechmateriaal bevat.

 

Ook ingrediënten uit gg micro-organismen (citroenzuur, diverse vitaminen, xanthaangom, enz.) hoeven onder de huidige wetgeving echter niet als zodanig geëtiketteerd te worden – met het gevolg dat deze waarschijnlijk ook aanwezig zijn in Europese voedingsmiddelen; in welke mate is onbekend. Hetzelfde geldt voor gg katoen in niet-voedselproducten: in alle katoenbevattende producten kan een deel van de katoen genetisch gemanipuleerd zijn, behalve als het om biologische katoen gaat.

Kortom, voor zowel voedsel als andere producten geldt in de praktijk: gentechmateriaal dat op het etiket moet staan, wordt niet of nauwelijks gebruikt; gentechmateriaal dat niet op het etiket hoeft te staan, wordt echter wel gebruikt.

 

Risicobeoordeling en nationale moratoria

De EU-wetgeving eist voor elk nieuw ggo dat op de markt komt, ongeacht of het voor import of voor teelt is en of het voor voedsel of veevoer is, eenzelfde risicobeoordeling. Hierbij wordt de veiligheid voor mens, dier en milieu getest. De producent moet zelf dit veiligheidsonderzoek doen, op de manier die de wetgeving voorschrijft. Dit onderzoek wordt vervolgens beoordeeld door een nationale autoriteit in de lidstaat waar de martkintroductie aangevraagd is (in Nederland de COGEM). Als de nationale autoriteit het goedkeurt, kunnen de andere lidstaten nog bezwaar maken; dit is tot nu toe in de EU bij elk ggo gebeurd. In dat geval moet de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) haar opinie over het onderzoek geven.

Op basis van de EFSA-opinie neemt de Europese Commissie (EC) een conceptbesluit en legt dit voor aan een commissie van deskundigen van de lidstaten: het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (PCVD, zie ook onder het Regulier Overleg Warenwet). Als deze het met gekwalificeerde meerderheid aannemen of afwijzen, maakt de EC het besluit definitief of wijst het ggo af. Het PCVD is het echter (sinds de nieuwe wetgeving van kracht is) nog nooit met gekwalificeerde meerderheid eens kunnen worden over een ggo-toelating. In die gevallen legt de EC het conceptbesluit voor aan de Raad van Ministers (soms de milieuministers, soms de landbouwministers). Als deze het ook niet met gekwalificeerde meerderheid aannemen of afwijzen (wat eveneens nog nooit gebeurd is), mag de EC zelf de knoop doorhakken – en in alle gevallen heeft ze tot nu toe het ggo toegelaten.

 

Dit laatste heeft uiteraard de kritiek uitgelokt dat de EC niet luistert naar de lidstaten die bezwaren uiten. Ook hebben meerdere lidstaten de teelt en/of import van diverse toegelaten ggo's op hun grondgebied verboden, op grond van wetenschappelijke inzichten. De wetgeving laat dergelijke nationale moratoria toe, maar de EFSA bestrijdt de wetenschappelijke inzichten die de lidstaten aanvoeren. Er is ook voortdurend onenigheid tussen de EFSA en de bevoegde autoriteiten van kritische lidstaten over de veiligheidsonderzoeken van de producenten. De EFSA heeft nog nooit een dergelijk onderzoek afgekeurd en wordt door de critici beschuldigd van een laag wetenschappelijk niveau en van belangenverstrengeling (bijvoorbeeld door Friends of the Earth Europe in "Throwing caution to the wind", 2004). Op haar beurt beschuldigt de EC de kritische lidstaten ervan, dat achter hun wetenschappelijke motieven voor de moratoria in feite andere motieven schuilgaan.

Een van de belangrijkste kritiekpunten is dat de EFSA nooit verlangt dat producenten daadwerkelijk consumptieproeven bij mensen uitvoeren. Het enige wat ze verlangt om de consumptieveiligheid te kunnen beoordelen, zijn laboratoriumtests en theoretische vergelijkingen met de molecuulstructuur van bekende gevaarlijke stoffen. Het is wetenschappelijk aanvechtbaar of een voedingsmiddel alleen op basis hiervan, zonder consumptieproeven, veilig genoemd kan worden; anders gezegd: of het op die manier ooit "wezenlijk gelijkwaardig" aan zijn niet-gg tegenhanger mag worden geacht (de gewenste conclusie van de beoordeling, zie boven). Zelfs dierproeven zijn maar bij enkele ggo's gedaan en dan nog op speciaal verzoek van een lidstaat. Dit kritiekpunt betreft niet de wetgeving, maar de handhaving daarvan door de EFSA: verordening 1829 vereist dat het gg voedingsmiddel "geen negatieve effecten op de menselijke gezondheid" heeft; de wijze waarop de EFSA dit vaststelt, is echter wetenschappelijk omstreden. Daarbij wijzen de critici ook op de Algemene Levensmiddelen Wetgeving (verordening 178/2002), die de taken en procedures van de EFSA vastlegt. Hierin wordt de wijze van vaststelling van voedselveiligheid onder andere als volgt gespecificeerd:

"Bij de beoordeling of een levensmiddel schadelijk voor de gezondheid is, worden de volgende punten in aanmerking genomen:
a) niet alleen het vermoedelijke onmiddellijke en/of kortetermijn- en/of langetermijneffect dat het levensmiddel heeft op de gezondheid van iemand die het consumeert, maar ook het effect op diens nakomelingen;
b) de vermoedelijke cumulatieve toxische effecten;
c) de bijzondere fysieke gevoeligheden van een specifieke categorie consumenten ingeval het levensmiddel voor die categorie consumenten bestemd is."

Zowel de lidstaten als de Europese Commissie ondernemen pogingen om de moeizame besluitvorming over nieuwe ggo's te verbeteren. De lidstaten hebben in de EU-Raad van milieuministers in december 2008 uitgesproken:

 

  • de bestaande risicobeoordeling moet verbeterd worden:
    • de EFSA moet onder andere ook de langetermijneffecten beoordelen;
    • systematisch en onafhankelijk risico-onderzoek moet uitgevoerd en gefinancierd worden;
  • de sociaaleconomische voordelen en risico's en de landbouwkundige duurzaamheid van ggo's in het algemeen moeten geïnventariseerd worden, om vervolgens te overwegen of en hoe deze factoren meegewogen kunnen worden in de risicobeheersing bij de toelatingen.

Het laatste punt biedt een opening naar een politieke afweging van het nut en de noodzaak van een ggo; de wetgeving laat hiertoe expliciet ruimte. Alledrie deze punten zouden een doorbraak kunnen opleveren. De sociaaleconomische factoren zijn inmiddels geïnventariseerd, maar verder is nog geen van deze drie punten gerealiseerd.

 

De Europese Commissie heeft van haar kant in juli 2010 voorstellen gedaan die het de lidstaten mogelijk zouden maken om ook op niet-wetenschappelijke gronden ggo's die op EU-niveau toegelaten zijn, nationaal te verbieden. Dit zou de onenigheid met de EC over de basis van deze nationale moratoria wegnemen. In ruil daarvoor moeten de lidstaten minder bewaar maken bij de besluitvorming op EU-niveau. Met deze voorstellen omzeilt de EC de kern van het conflict. In wezen draait het conflict namelijk om de wetenschappelijke risicobeoordeling en om de vraag of het risicobeheer zo exclusief op deze wetenschappelijke risicobeoordeling moet leunen als nu het geval is, of op welke andere factoren het risicobeheer ook kan of moet steunen. De lidstaten voelen weinig voor de EC-voorstellen.

 

Coëxistentie

De tegenstand tegen gentechteelt, gecombineerd met het feit dat besmetting van gentechvrije teelt onvermijdelijk is als gentechgewassen in de open lucht geteeld worden, betekent dat afspraken gemaakt moeten worden over maatregelen die boeren moeten treffen om gentechteelt en gentechvrije teelt naast elkaar mogelijk te maken ('coëxistentie'). Bij de totstandkoming van de huidige EU-wetgeving is het onderwerp coëxistentie buiten de wetgeving gehouden (als onderdeel van het politieke compromis tussen het Europarlement en de EU-Raad): het is aan de lidstaten overgelaten om dit heikele punt, dat draait om de beheersing van de besmetting, op nationaal niveau te regelen.

 

De EC gaf in 2003 wel een (niet-verbindende) aanbeveling over coëxistentie uit, die in 2010 werd aangepast (als onderdeel van de bovengenoemde voorstellen). Hierin worden maatregelen aanbevolen die in sommige gevallen moeten voorkomen dat besmetting boven de drempelwaarde van 0,9% voor etikettering (zie boven) uitkomt. (Dit is echter in strijd met het feit dat deze drempelwaarde volgens verordening 1829 slechts geldt voor "onvoorziene of technisch niet te voorkomen" besmetting: bij gewassen die bewust naast elkaar geteeld worden, is besmetting niet onvoorzien, noch technisch onvermijdelijk.)

 

De lidstaten hebben verschillende coëxistentie-regelingen getroffen of pogingen hiertoe gedaan. In Nederland liet de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) dit aanvankelijk over aan de betrokken boeren- en veredelingsorganisaties, die een concept van een convenant opstelden voor aardappelen, maïs en suikerbieten, maar het niet eens werden over de details. De hoofdlijnen zijn in 2005 vastgelegd in een productschapsverordening, die echter nog niet van kracht is: zij moet bekrachtigd worden door de betrokken organisaties zodra er daadwerkelijk gentechteelt plaatsvindt in Nederland. Over een aantal factoren die niet in de productschapsverordening staan, konden deze organisaties het niet eens worden; zij hebben hun taak daarom teruggegeven aan de minister van LNV. Met name Biologica vindt onder andere dat de aansprakelijkheid voor besmetting niet afdoende geregeld is en dat de maatregelen niet gericht zijn op nultolerantie. Het ministerie van landbouw is nu bezig een zogenaamd restschadefonds te creëren en een regeling voor monitoring op te stellen. Of de productschapsverordening en/of andere afspraken in werking zullen treden zodra er gentechteelt plaatsvindt in Nederland, is niet duidelijk.

EU-register van genetisch gemodificeerd voedsel en veevoer
Vragen en antwoorden over de EU-gentechwetgeving
Informatiepagina "Genetically modified food and feed" (EU)
top

 

Nederlands beleid

De EU-wetgeving is slechts bedoeld om te garanderen dat alleen ggo's toegelaten worden die veilig zijn voor mens en milieu. Gezamenlijke EU-besluiten op basis van deze wetgeving moet Nederland respecteren, maar daarbuiten heeft ons land zoals elke lidstaat de vrijheid om eigen beleid te formuleren over wat het met ggo's wil of niet wil. Bedrijven die door de EU toegelaten ggo's willen importeren en boeren die ze willen telen, kunnen niet worden tegengehouden; maar de regering kan wel richting geven aan het soort landbouw en het soort voedselproductie dat ze graag wil bevorderen, door zich hierover uit te spreken in beleid en deze uitspraken bijvoorbeeld als voorwaarden aan subsidies, kredieten of belastingen te verbinden.

 

Het huidige Nederlandse gentechbeleid is vastgelegd in de Integrale Nota Biotechnologie uit 2001. De kern hiervan vormt de vaststelling: "Afgezien van de vraag of alle ontwikkelingen in de biotechnologie gewenst zijn, is het kabinet van mening dat de biotechnologische ontwikkelingen niet zijn tegen te houden omdat zij plaats vinden in een mondiaal kader. Binnen dit perspectief kiest zij er voor om de ontwikkeling van de biotechnologie op een verantwoorde manier te stimuleren." Het motto van de nota en van het beleid luidt dan ook "kansen verantwoord en zorgvuldig benutten".

Hiermee kiest Nederland ervoor om ggo-gebruik niet te binden aan landbouw- of voedselbeleid, maar landbouw en voedselproductie juist te laten beïnvloeden door ggo-beleid. Dit ggo-beleid is gebaseerd op de overtuiging dat deze technologie "niet tegen te houden is" en op het vertrouwen dat ze "kansen met zich brengt voor de kwaliteit en kwantiteit van de landbouw en de productie van voedsel". Deze kansen ziet de regering in "snellere veredeling", het "uitsluiten van onverwachte effecten", het "verbeteren van productiekenmerken" (minder pesticidegebruik, hogere opbrengst), het "verbeteren van de kwaliteit" (langere houdbaarheid, andere samenstelling of metabolisme) en "het gebruik van de 'plant als fabriek'" (voor "medisch werkzame stoffen, suikers, oliën en dergelijke").

 

De "verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid" liggen hierbij in een goede risicobeoordeling door middel van de EU-procedures. De nota stelt op dit punt nog: "Zo wordt een goede afweging mogelijk tussen mogelijke risico’s en het beoogde maatschappelijk nut". Deze afweging heeft de regering echter zelf niet gemaakt, doordat ze het ggo-beleid niet gekoppeld heeft aan landbouw- of voedselbeleid; anders gezegd: de discussie over nut en noodzaak van ggo's is in de Nederlandse politiek nooit gevoerd (althans niet met consequenties voor het beleid).

Het Nederlandse beleid richt zich dus uitsluitend op de mogelijke voordelen en de veiligheidsrisico's van ggo's. Een afweging van hun rol in een duurzame landbouw en voedselproductie is niet gemaakt. Op basis van dit beleid heeft Nederland op EU-niveau, als er gestemd moet worden (op het niveau van deskundigen of dat van ministers, zie boven) over individuele toelatingen of andere ggo-beslissingen van de EU, tot nu toe vrijwel altijd gestemd vóór toelating of vóór een beslissing die ggo-gebruik bevordert. Ondanks het feit dat de regering haar eigen beleid als neutraal beschouwt, heeft Nederland daarmee de reputatie gekregen dat het een van de grootste voorstanders van gentechlandbouw en voedsel onder de EU-landen is.

 

Documenten die hierop betrekking hebben:

Brief aan Tweede Kamer bij het eindrapport over de coëxistentieproef, die uitgevoerd is om isolatie-afstanden te testen.

brief soc econ def 2e kamer 27428 nr 131

  • Brief van de ministers van LNV en VROM, Ministers G. Verburg en J. Cramer, 2009 (30 kB)

Brief aan Tweede Kamer over zeven actuele GM-onderwerpen.

Verslag van openbaar seminar van LNV, met lezingen en workshops.

Verslag van stakeholder-bijeenkomst in opdracht van VROM op 29 september 2008.

Signaleringsrapport voor de minister van VROM over de sociaal-economische aspecten van ggo's, met het oog op het verbeteren van het moeizame debat in de EU (zie "Wet- en regelgeving" onder "Risicobeoordeling en nationale moratoria").

Prikkelende conclusies van een panel van dertien personen onder voorzitterschap van Felix Rottenberg, over aspecten van genomics die publieke aandacht verdienen (met het oog op investeringen door de regering). De panelleden werden uitgenodigd omdat ze "gelet op hun maatschappelijke ervaring en deskundigheid geacht konden worden tezamen een evenwichtig oordeel te geven over de vragen die in het geding zijn".

 

Biodiversiteitsconventie en Bioveiligheidsprotocol

In 1993 werd de Biodiversiteitsconventie van de VN (Convention on Biological Diversity, CBD) van kracht. Haar doel is het behoud en duurzaam gebruik van de biodiversiteit (lees: natuur en milieu) en de eerlijke en rechtvaardige verdeling van de opbrengsten die voortkomen uit de exploitatie van genetische bronnen. Er zijn veel schandalen geweest rond onderzoekers en bedrijven die planten of andere organismen uit ontwikkelingslanden meenemen, patenteren en commercieel gebruiken zonder enige compensatie voor de gemeenschappen waar het materiaal vandaan komt. Dit wordt ook wel biopiraterij genoemd. De conventie wil dit tegengaan en de toegang tot genetische bronnen en de verdeling van de opbrengsten (access and benefit sharing) regelen.

Een probleem in veel landen is nog dat de capaciteit ontbreekt om goede controlemechanismen te ontwikkelen. Veel ontwikkelingslanden hebben implementatie van gentechwetten als prioriteit en komen nog nauwelijks toe aan het ontwikkelen van een goed beleid over toegang en verdeling van opbrengsten. Een overzicht van een aantal gevallen van biopiraterij vindt u bij het Third World Network. Een ander probleem is dat de doelen van de conventie nog concreet invulling moeten krijgen in afzonderlijke overeenkomsten tussen de aangesloten landen. Dat is bijvoorbeeld voor "toegang en verdeling van opbrengsten" nog steeds niet gelukt, mede door tegenwerking van de Verenigde Staten. Dit land heeft zich niet aangesloten bij de conventie, maar is wel bij alle onderhandelingen aanwezig. Ook Canada, de EU (beide wel aangesloten) en de gentech-, farma- en landbouwindustrie verzetten zich nadrukkelijk tegen een omvattende overeenkomst met een effectief systeem van nakoming.

Binnen de Biodiversiteitsconventie kwam na 10 jaar onderhandelen het Cartagena Protocol voor Bioveiligheid (Cartagena Protocol on Biosafety, CPB) tot stand. Op 11 september 2003 werd het van kracht. Dit protocol wil de biodiversiteit (inclusief de mens) beschermen tegen de potentiële risico's van "levende gemodificeerde organismen (lmo's) die voortkomen uit moderne biotechnologie", lees ggo's. Het draagt zorg voor veilige hantering, vervoer en gebruik van lmo's. Het Bioveiligheidsprotocol gaat alleen over levende gemodificeerde organismen en dus niet over verwerkte producten als meel, olie etc. Lmo's die bedoeld zijn voor direct gebruik als menselijk geneesmiddel vallen er ook niet onder, mits ze gedekt zijn door een ander internationaal verdrag. De kern van het protocol is dat bij grensoverschrijdend verkeer met lmo's het importerende land van tevoren bewust toestemming moet geven ("advance informed agreement"). Het Bioveiligheidsprotocol is een belangrijk verdrag omdat het landen de mogelijkheid geeft om lmo's te reguleren, te etiketteren en/of te weigeren.

Net als de conventie is ook het protocol een verdrag in ontwikkeling, dat wil zeggen dat er op tweejaarlijkse conferenties wordt gewerkt aan concrete invulling van zijn doelen, bijvoorbeeld richtlijnen voor risicobeoordeling en een bindend verdrag voor aansprakelijkheid en schadevergoeding. Maatschappelijke organisaties dragen hieraan bij, maar op deze conferenties wordt ook fel verzet geboden tegen strenge afspraken door de industrie en door de Nederlandse stichting PRRI. PRRI stelt dat het voldoen aan de regelgeving "onnodig moeilijk, tijdrovend en kostbaar is en publieke onderzoeksinstellingen met kleine budgetten hindert". Deze organisatie zegt dat ze het belang van publiek onderzoek naar gentechnologie behartigt, omdat dit teveel het domein van grote bedrijven is; ze lobbyt daarom krachtig tegen verbetering van de regelgeving, met name bij de invulling van het Bioveiligheidsprotocol, maar speelt daarmee natuurlijk juist de grote bedrijven in de kaart. PRRI is daardoor in werkelijkheid een van de krachtigste lobby-organisaties voor het gentech-bedrijfsleven. Deze bedrijven (bijvoorbeeld Monsanto) financieren PRRI dan ook, wat onder andere ook de Europese Commissie en de Rockefeller Foundation doen. (Het gebrek aan publiek onderzoek naar gentechnologie ligt niet aan de regelgeving, maar aan gebrek aan financiering van dat onderzoek en heftige tegenwerking ervan door de bedrijven.)
160 landen hebben zich inmiddels verbonden aan het protocol en 193 aan de Biodiversiteitsconventie. De Verenigde Staten hebben zich aan geen van beide verbonden; Canada, Argentinië, Australië en Rusland wel aan de conventie, maar niet aan het protocol.

top