Gentech logo

Dè Nederlandstalige website voor informatie over genetische manipulatie van landbouwgewassen en voedsel en de gevolgen voor mens, milieu, dieren, ontwikkelingslanden en consumenten wereldwijd.


/ Home / Info / Gentech en Milieu

V Milieueffecten

 

Effecten verbonden met bestrijdingsmiddelen
Andere milieueffecten
Voorzorgsbeginsel

 

Effecten verbonden met bestrijdingsmiddelen

 

 

Doordat de meeste gentechgewassen die op de markt zijn, herbicideresistent en/of insectresistent zijn (zie "Voedsel en landbouw"), heeft veel milieuonderzoek aan ggo's betrekking op pesticiden. In de eerste plaats beweren de producenten van deze gewassen dat ze het pesticidegebruik verminderen: dat is de reden dat ze verkocht worden.

 

Onderzoek bij soja, maïs en katoen in de VS (Benbrook, 2009) heeft echter laten zien dat in de periode van 1996 tot en met 2008 in totaal 174 miljoen kg meer herbiciden gebruikt zijn op de herbicideresistente gentechvariëteiten dan op de conventionele variëteiten. Alleen de eerste paar jaar hadden de gentechgewassen minder herbicide nodig; daarna nam het gebruik snel toe, doordat onkruiden vanzelf ook resistent zijn geworden tegen de herbiciden die op de gentechgewassen gebruikt worden (vooral tegen glyfosaat). Tegen deze 'superonkruiden' worden nog krachtigere herbiciden gebruikt. Soms lukt het niet eens meer om ze te bestrijden; hierdoor worden katoenakkers in de VS soms al verlaten. Daarnaast is het gebruik van herbiciden op conventionele gewassen in dezelfde periode gedaald, vooral als gevolg van de ontwikkeling van herbiciden die in lagere doses gebruikt kunnen worden.

 

Het insecticidegebruik is, volgens hetzelfde onderzoek, in de VS over deze periode 29 miljoen kg lager bij de insectresistente Bt-maïs en Bt-katoen dan bij conventionele maïs en katoen. Dit is echter te wijten aan het feit dat het insecticide ingebouwd is in de Bt-gewassen: het is hier dus wel aanwezig en komt ook in het milieu terecht. Er is echter nog geen methode om de gemiddelde hoeveelheid insecticide die een dergelijk gentechgewas produceert, nauwkeurig te bepalen. Daarnaast worden zaden van conventionele gewassen soms behandeld met insecticide, dat in een dun laagje op het zaad komt te zitten en tijdens de groei van de plant geleidelijk vrijkomt. Ook de hoeveelheid insecticide uit deze zaadbehandeling is in het onderzoek niet meegerekend.

 

Relevant is dat het insecticide in de Bt-gewassen permanent aanwezig is, terwijl het plaaginsect niet altijd aanwezig is: op conventionele maïs en katoen is het dus niet altijd nodig om een insecticide te gebruiken. Vermoedelijk zorgen de Bt-gewassen dan ook voor een aanzienlijke verhoging van de insecticidebelasting van het milieu. De veelgehoorde bewering dat Bt-gewassen het insecticidegebruik verlagen, is dus feitelijk misleidend: het ingebouwde insecticide wordt nooit meegerekend, maar vormt net zo goed een milieubelasting.

 

Een reeks andere milieueffecten van gentechgewassen heeft ook met deze pesticiden te maken. Het overmatig gebruik van de herbiciden glyfosaat en glufosinaat, evenals de overmatige productie van het Bt-insecticide door de Bt-gewassen, treft ook "niet-doelorganismen". Zo krijgen regenwormen minder jongen door glyfosaat, dat tevens aanzienlijke veranderingen teweegbrengt in de natuurlijke bacterie- en schimmelpopulaties rond de plantenwortels. Op de glyfosaatresistente soja wordt zoveel glyfosaat gespoten (vaak vanuit vliegtuigjes), dat in Argentinië veel gezondheidsproblemen gerapporteerd worden door mensen die tussen en rond de sojavelden wonen: met name aangeboren misvormingen van het hoofd bij baby's. Uit nader onderzoek bij kikkers en kippen blijkt dat glyfosaat inderdaad deze afwijkingen veroorzaakt als embryo's eraan blootgesteld worden.

 

Glufosinaat wordt dusdanig schadelijk geacht door de EU, dat het op grond van de EU-pesticidenverordening uit 2009 binnen afzienbare tijd verboden zal worden. Dit zal de teeltaanvragen voor de glufosinaatresistente Bt11- en 1507-maïs in de EU, die al enige jaren liggen te wachten, onmogelijk maken: de teelt van deze maïs is alleen zinvol bij gebruik van glufosinaat. Maar ook zou het hypocriet zijn om dan nog langer de dertien glufosinaatresistente gentechgewassen te blijven importeren die nu toegelaten zijn voor verwerking in voedsel en veevoer – want hun productie vergt in het herkomstland het gebruik van glufosinaat. Hier gaat het om katoen-, maïs-, koolzaad- en sojavariëteiten.

 

Het Bt-insecticide uit Bt-gewassen blijkt ook schadelijk te zijn voor diverse insecten die geen plaag vormen: met name diverse vlinders en motten gaan er dood van, maar ook kan het leervermogen van honingbijen door het Bt-insecticide aangetast worden. Bovendien verspreidt het Bt-insecticide zich in de VS in waterlopen via maïsafval en tast daar ook kokerjuffers (waterinsecten) aan. In het lab blijkt het schadelijk voor watervlooien. In India blijkt Bt-katoen de activiteit van verschillende bodembacteriën en enzymen die essentieel zijn voor een vruchtbare bodem, te verlagen. Italiaans onderzoek wijst erop dat Bt-maïs een negatieve invloed heeft op bodemschimmels die in symbiose met de plant leven en essentieel zijn voor de bodemvruchtbaarheid. Onduidelijk is echter of deze bodemeffecten te wijten zijn aan het Bt-insecticide dat de plant produceert, of een ander effect van de gentechplant zijn.

 

Het toegenomen herbicidegebruik kan ook gevolgen hebben voor het ecosysteem waarvan het gentechgewas deel uitmaakt. Dat bleek bij de zogenaamde Farm Scale Evaluations, een omvangrijk programma van veldproeven met herbicideresistent(e) gentechkoolzaad, bieten en maïs, die van 1999 tot 2003 in Groot-Brittannië uitgevoerd werden. Bij het koolzaad en de bieten was de hoeveelheid onkruiden die als voedsel voor vogels en insecten dienen, verminderd, maar bij de maïs kwamen deze onkruiden juist meer voor. De hoeveelheid insecten bleek ook inderdaad verminderd, respectievelijk toegenomen te zijn; vogels waren niet onderzocht, maar de conclusie werd getrokken dat zaadetende akkervogels zeker ook last zouden hebben van het tekort aan voedselonkruiden.

 

Overmatig gebruik van een pesticide roept in de natuur altijd spontane resistentie op: de plaagorganismen worden langs natuurlijke weg resistent tegen het pesticide. Net als bij onkruiden (zie boven) is dat ook al het geval bij enkele van de insecten waarvoor de Bt-gewassen bedoeld zijn. Ondanks de teeltstrategie om altijd een klein deel van de Bt-maïs- en katoenakkers met een gentechvrije variëteit te beplanten (zodat het insect niet overal het pesticide tegenkomt), is toch al Bt-resistentie geconstateerd bij de plaagrupsen Busseola fusca, Helicoverpa zea, Spodoptera frugiperda en Pectinophora gossypiella, die maïs en/of katoen aantasten in respectievelijk Afrika, Noord-Amerika, Midden-Amerika en India.

 

Verder kan het ook gebeuren dat andere plaaginsecten, die niet gevoelig zijn voor het Bt-insecticide, de plaats innemen van de plaaginsecten die er wel door verdreven zijn. Dergelijke 'secundaire plagen' zijn al gevonden bij Bt-aardappelen, Bt-katoen en Bt-maïs.

 

top

Andere milieueffecten

 

 

De effecten van de bestrijdingsmiddelen waren voorspelbaar en waren ook alle vooraf voorspeld. De genetische manipulatie zelf kan echter, door de ongerichtheid ervan (zie "Wetenschap" onder "Beperkingen"), ook onverwachte en onbedoelde milieu-effecten opleveren.

 

De databank van het Amerikaanse Nature Institute vermeldt verschillende voorbeelden hiervan. Zo is bij Bt-maïs de vetsamenstelling van de stengels veranderd, is ook de vetsamenstelling van de bodem waarin de planten staan, veranderd en is de bodemademhaling met zo'n 30% gedaald. De bodemademhaling is de ademhaling van bodemorganismen: dit is een indicator van de omzetting van organische stof door bodemorganismen. In China merkte men dat het rupsdodende effect van Bt-katoen niet altijd goed werkte tijdens de bloeifase van de plant en bij warm weer; de oorzaak bleek te zijn dat de plant in die gevallen aanzienlijk verlaagde hoeveelheden bevat van vele eiwitten, inclusief het Bt-insecticide (dat ook een eiwit is).

 

Wilde zonnebloemen blijken door kruising met Bt-zonnebloemen niet alleen de insectresistentie over te nemen, maar ook meer zaad te produceren dan ongemanipuleerde wilde zonnebloemen; dit kan de verspreiding van het Bt-gen via wilde zonnebloemen bevorderen. De stengels van Bt-maïs zijn houtiger doordat ze meer lignine ('houtstof') bevatten dan die van gewone maïs. Diverse Bt-maïsvariëteiten blijken meer bladluizen aan te trekken dan ongemanipuleerde maïs; ze trekken daardoor ook meer sluipwespen aan die op de luizen parasiteren. Bladluizen voeden zich met de sapstroom van de plant, terwijl het Bt-insecticide niet in de sapstroom, maar alleen in de weefsels van de plant zit. De Roundup Ready soja krijgt in Zuid-Amerika, jaren na de introductie, last van 'roest', een schimmelziekte, terwijl ongemanipuleerde soja daar vrijwel nooit last van heeft. Van geen van deze effecten is precies bekend hoe ze ontstaan zijn.

 

Ook kruising van het gentechgewas met wilde planten of verspreiding van het gentechgewas zelf in het wild kan gevolgen voor ecosystemen hebben. Berucht is de vondst van DNA afkomstig van gentechmaïs in traditionele maïsvariëteiten in Mexico, op een moment dat gentechteelt in Mexico verboden was (2001). De gevolgen hiervan voor de traditionele maïsvariëteiten zijn nog onbekend, maar het is niet uit te sluiten dat hierdoor het aantal traditionele maïsvariëteiten zal afnemen. Dan zou de maïsveredeling in gevaar komen, want deze maakt gebruik van die maïsvariëteiten om eigenschappen die in cultuurmaïs verloren zijn gegaan, terug te kruisen.

 

Hetzelfde kan gebeuren met rijst in Azië en sorgo in Afrika, als de experimenten daar met gentechrijst en sorgo leiden tot marktintroductie. (Sorgo is een graan dat in Afrika volksvoedsel is.) In Japan, waar gentechkoolzaad niet geteeld maar wel geïmporteerd en verwerkt mag worden, is het in het wild groeiend aangetroffen langs de routes waarlangs het van de havens naar de fabrieken gebracht wordt. Dit koolzaad is glyfosaatresistent en kan zich goed handhaven doordat er nog vrij veel glyfosaat gebruikt wordt voor onkruidbestrijding binnen en buiten de landbouw (ook zonder gentechteelt). Het is goed mogelijk dat zich ook in Europa op deze wijze gentechkoolzaad verspreidt, maar dit is hier nog nauwelijks onderzocht. Hetzelfde risico bestaat bij genetisch gemanipuleerde kweekvis, bijvoorbeeld de sneller groeiende gentechzalm: als deze ontsnapt en zich mengt met wilde soortgenoten, kan dit gevolgen hebben voor de wilde populatie.

 

Producenten kruisen tegenwoordig vaak bestaande gentechgewassen met elkaar om nieuwe variëteiten met meerdere manipulaties (in het Engels stacked events) te creëren. Hierdoor zijn ggo's ontstaan die zowel herbicideresistent als insectresistent zijn en vaak meerdere (tot acht) vormen van deze resistenties bevatten. Onder de EU-wetgeving is elke kruising echter een nieuw ggo dat op zichzelf beoordeeld moet worden. Deskundigen ondersteunen dit ook: de kruising kan immers effecten teweegbrengen die bij geen van beide ouderplanten voorkwamen. Desalniettemin neigt de EFSA (zie Wet- en regelgeving) ertoe om haar opinie over de veiligheid van dergelijke meervoudige ggo's toch te baseren op die van de ouderlijnen.

 

 

Plant Research International (onderdeel van de Wageningen Universiteit) heeft al in 2000 in opdracht van Greenpeace Nederland vele van de hier genoemde effecten voorspeld in het rapport "Crops of uncertain nature?". Hierin sommen de onderzoekers meer dan 20 kennishiaten en fundamentele controverses rond gentechlandbouw op. Het rapport concludeert onder meer dat het wetenschappelijk inzicht in de ecologische en toxicologische aspecten van genetisch gemanipuleerde gewassen "beperkt" is. De gevolgen hiervan komen nu langzaam boven water, zoals hierboven beschreven.

 

Voorzorgbeginsel

 

 

Net als bij gezondheidseffecten zouden ook de bovengenoemde milieueffecten reden moeten zijn om het voorzorgbeginsel toe te passen, dat wil zeggen de betreffende ggo's van de markt te halen en nader onderzoek te doen. De Europese Commissie beweert dat haar gentechbeleid gebaseerd is op het voorzorgbeginsel, maar in de praktijk is dat volgens velen niet zo.

 

Documenten die hierop betrekking hebben:

Programma voor ecologisch onderzoek naar ggo's (2007-2012). De Tweede Kamer achtte dit nodig voor een adequate beoordeling ervan, naast de officiële toelatingsprocedure. In dit programma lopen dertien projecten.

Samenvatting van onderzoek van de Amerikaanse landbouweconoom Charles Benbrook naar de milieueffecten van Roundup Ready soja in Argentinië.

Onderzoek naar de gevolgen van de sojateelt (met en zonder gentechnologie) in de Braziliaanse Amazone, met aanbevelingen aan de Nederlandse overheid, voedsel- en veevoerindustrie en banken.

Samenvatting van onderzoek uit diverse landen naar onbedoelde effecten van Bt-gewassen, met name milieueffecten.

Onderzoekers van Plant Research International (WUR) stelden in 2000 vast dat herbicideresistente gewassen, ook na een volledige toelatingsprocedure, risico's in zich kunnen bergen voor landbouw en milieu; zij bevalen nader onderzoek aan.