Gentech logo

Dè Nederlandstalige website voor informatie over genetische manipulatie van landbouwgewassen en voedsel en de gevolgen voor mens, milieu, dieren, ontwikkelingslanden en consumenten wereldwijd.


/ Home / Alle berichten / Nederlandse Politiek / Taboe op antibioticumresistentie-genen afgeschaft ten koste van veiligheid

Taboe op antibioticumresistentie-genen afgeschaft ten koste van veiligheid

Gepubliceerd door: Diederick Sprangers op: 01.04.2010 19:39

(1 april 2010) Zowel Nederland als de EU hebben op betwistbare gronden hun uitfaseringsbeleid voor antibioticumresistentie-genen laten vallen. Beide beoordelen gentechgewassen met deze genen nu per geval. In de praktijk pakt dat gunstiger uit voor de industrie, omdat antibioticumresistentie-genen niet meer taboe zijn. Dit blijkt uit een nadere analyse van de ontwikkelingen in het Nederlandse en het Europese beleid. De veiligheid van vee en veehouders is het kind van de rekening: de bescherming die antibiotica hen bieden tegen infecties, kan hierdoor verder uitgehold worden.


Nederland koos in 2000 voor een beleid van uitfasering van antibioticumresistentie- (AR-) genen: in veldproeven mochten er nog twee gebruikt worden (nptII en hpt), bij commerciële teelt geen enkele, zo staat in de Integrale Nota Biotechnologie van dat jaar. De EU legde in Richtlijn 2001/18 een vergelijkbaar beleid zelfs wettelijk vast: gentechgewassen met AR-genen die mogelijk negatieve effecten op de volksgezondheid en het milieu hebben, moesten eind 2004 geëlimineerd zijn. (Alleen voor veldproeven gold eind 2008 als termijn.) In 2003 werd dit beleid op beide niveaus doorkruist. De EFSA begon uit eigen beweging met een herbeoordeling van AR-genen. Omdat daar geen reden van voedselveiligheid voor was, maar alleen het argument dat de industrie te weinig alternatieven zou hebben (1), ging de EFSA hiermee buiten haar boekje, zoals Friends of the Earth Europe al in 2004 aangaf in "Throwing caution to the wind". Het is een van de redenen waarom de EFSA tot op heden van belangenverstrengeling beschuldigd wordt. Maar de Europese Commissie (EC), opdrachtgever van de EFSA, floot het instituut niet terug, maar stimuleerde de nieuwe blikrichting juist met vragen aan de EFSA om het onderwerp per geval te bekijken.

In Nederland verbood de toenmalige minister Pronk van VROM de verlenging van een veldproef van Avebe op grond van het AR-gen in de betreffende aardappel. In hoger beroep vernietigde de Raad van State dit verbod echter in 2003: Avebe beloofde de resten van de industriële aardappel uit de proef niet aan vee te voeren, maar VROM had volgens de Raad ook ten onrechte het voorzorgbeginsel ingeroepen, want er was voldoende kennis over AR-genen. Het voorzorgbeginsel dient voor gevallen waarin onvoldoende kennis bestaat. Het beruchte Raadsoordeel kostte de staat 12 miljoen euro schadevergoeding (2). VROM ging op zoek naar een herformulering van het beleid en beoordeelde voorlopig gentechgewassen met AR-genen per geval, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de antwoorden van staatssecretaris Van Geel op kamervragen uit 2004 over veldproeven. Het ministerie hield een schuin oog op de EU, die een werkgroep opgezet had om een nieuw uitfaseringsbeleid op te stellen. Bij de oprichting van de EFSA liet deze Europese werkgroep de vraag echter aan die instantie over.

De EFSA gaf herhaaldelijk als haar mening te kennen dat AR-genen weinig kwaad kunnen. De EC ging daarin mee, met als opvallendste gevolg de recente markttoelating van de Amflora-aardappel. In Nederland kwam de COGEM met betrekking tot diverse veldproeven tot dezelfde conclusie: het risico dat de AR-genen bijdroegen aan de verspreiding van antibioticumresistentie onder vee of mensen, achtte de COGEM klein genoeg om te nemen. VROM kwam niet tot het formuleren van nieuw beleid, maar lijkt de 'geval per geval benadering' tot permanent beleid verheven te hebben.

De handelwijze van Nederland en die van de EU zijn betwistbaar en gaan ten koste van zowel vee als bijvoorbeeld varkenshouders, onder wie de beruchte MRSA-bacterie (die resistent is tegen meerdere antibiotica) wijdverspreid is. Natuurlijk hebben de veehouders zelf een veel grotere negatieve invloed op de efficiëntie van antibiotica, zolang ze deze preventief bijmengen in het voer om de dieren sneller te laten groeien. Dat mag echter geen reden zijn om hier met gentechgewassen nog maar een schepje bovenop te doen. Er zijn sinds het oude uitfaseringsbeleid geen veiligheids-argumenten op tafel gekomen om het risico dat AR-genen vormen, kleiner in te schatten dan voorheen. Dit betekent dat de EC maar één argument heeft gehad om haar AR-beleid te laten vallen: namelijk dat de industrie de AR-genen zo graag gebruikt. De EFSA meent dat er te weinig alternatieven zijn; dat is zeer betwistbaar, maar is vooral een argument dat naar letter en geest van de wet niet gebruikt had mogen worden. Richtlijn 2001/18 stelt namelijk de veiligheid van mens, dier en milieu centraal en rept niet van het wegnemen van technische problemen om bedrijven ter wille te zijn die zo graag gentechgewassen op de markt brengen. In weerwil van alle EFSA-opinies van de laatste jaren over AR-genen, staat nog steeds in de richtlijn dat AR-genen uitgefaseerd moeten worden als ze resistentie tegen praktisch relevante antibiotica geven (1). De EC overtreedt dus haar eigen wet door veldproeven en marktintroducties van gewassen met dergelijke genen toch nog toe te laten. Het wachten is op een organisatie die de EC voor deze wetsovertreding tot de orde roept. Zo heeft de EFSA dus op een cruciaal moment een wezenlijke draai op gang gebracht in het EU-beleid over AR-genen, met als belangrijke drijfveer het technische voordeel voor de industrie. Ook op het Nederlandse beleid heeft ze hiermee grote invloed gehad.

VROM onderbouwt zijn 'geval per geval benadering' van AR-genen met de beruchte uitspraak van de Raad van State uit 2003. Ook dit is betwistbaar, want het voorzorgbeginsel hoeft in feite niet ingeroepen te worden om AR-genen te verbieden. Als een overheid meent dat deze genen een gevaar voor de gezondheid van mens en dier vormen en niet meer gebruikt moeten worden, zijn daar voldoende gronden voor. Zowel de Nederlandse regering als de EC waren in 2000 ook die mening toegedaan. Als zij daarbij gebleven waren, was dat als signaal aan het bedrijfsleven duidelijk genoeg geweest. Er zijn technische mogelijkheden om gentechgewassen zonder AR-genen te creëren, dus het bedrijfsleven had geen argument gehad om dergelijk beleid voor de rechter te bestrijden. De bedrijven waren ook al begonnen gentechgewassen zonder AR-genen te maken, zoals zelfs de COGEM al in 2000 observeerde (3). Zo bezien is het uitsluitend politieke zwakte die Nederland en de EC op een ander spoor gebracht heeft – en op de EC rust, door de dubieuze rol van de EFSA, ook de verdenking van bedrijfsbegunstiging. ______________________________________________________________________________________________________________________________________________________

(1) Richtlijn 2001/18 (art. 4.2) omschrijft zelf het "mogelijk negatieve effect op de volksgezondheid en het milieu" van AR-genen: namelijk "resistentie tegen bij medische of veterinaire behandelingen gebruikte antibiotica". Het beoordelen van dit laatste is geen competentie van de EFSA, maar van het EMEA (Europese Medicijnenagentschap). Er was dus geen reden voor de EFSA om zich hierover te buigen en de EC vroeg daar ook niet om. Toch nam de EFSA in 2003 zelf het initiatief om het risico van AR-genen te evalueren. Ze noemde daarbij als argumenten het "mogelijk negatieve effect op de volksgezondheid en het milieu" en de "beperkte beschikbaarheid van alternatieven". Het eerste kon ze dus niet goed beoordelen (zoals later ook bleek) en het tweede is zonder meer strijdig met haar taak: een waakhond voor voedselveiligheid hoort zich niet te bekommeren om een technisch probleem van bedrijven die graag gentechgewassen op de markt willen brengen.

(2) Dit bedrag moest aan Avebe betaald worden voor het verloren gaan van de twee aardappelrassen in de grootschalige veldproef.

(3) http://www.cogem.net/ContentFiles/CGM000918-01.pdf, laatste zin.