Gentech biomassa ‘duurzaam’? De criteria van de commissie-Cramer in gebrek
Biobrandstoffen en bio-energie zijn momenteel het gesprek van de dag. Afgelopen donderdag namen de Europese Energieministers zich voor het gebruik van biobrandstoffen in de transportsector te stimuleren door een verplicht bijmengingspercentage in te voeren van 10% tegen 2020, mits deze biobrandstoffen ‘duurzaam’ geproduceerd worden. Daarom wordt nu gekeken naar de mogelijkheden van certificering om de duurzaamheid te waarborgen.
Er worden echter steeds meer zorgen geuit over de werkelijke gevolgen van deze bevordering van biobrandstofgebruik. Deze maatregelen zullen al op korte termijn leiden tot meer vraag naar gewassen als palmolie en soja, waarvan de grootschalige teelt nú al grote sociale en milieuproblemen veroorzaakt in vooral Zuid-Oost Azië en Zuid-Amerika. Officieel heet het klimaatbeleid, maar de Europese Commissie gaf onlangs zelf toe dat biobrandstoffen zeker niet de meest effectieve manier zijn om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Bovendien kunnen de ontbossing en schade aan veengronden, direct of indirect het gevolg van biomassaproductie, de verwachte klimaatvoordelen teniet doen, of zelfs extra schade aan het klimaat veroorzaken.
Vorige week presenteerde Jacqueline Cramer, vanaf heden Minister van Milieu en ook verantwoordelijk voor energie, het tweede rapport van de commissie-Cramer: ‘Toetsingskader voor duurzaam geproduceerde biomassa’. Dit toetsingskader omvat een reeks criteria en rapportageverplichtingen, die moeten bepalen of de biomassa die in Nederland wordt gebruikt en gesubsidieerd, wel ‘duurzaam’ geproduceerd is. Het Essent-debacle, waarbij “groene stroom” werd geproduceerd met inzet van palmolie, met grote schade aan Indonesisch regenwoud tot gevolg, ligt nog vers in het geheugen. Van Geel sprak zijn spijt uit over de honderden miljoenen euro belastinggeld die hieraan hadden bijgedragen.
Daan Dijk van de Rabobank, lid van de commissie-Cramer, zei in de Volkskrant (Forum, 1 februari) dat het toetsingskader zo snel mogelijk in Nederland en op Europees niveau moet worden ingevoerd.
Het is echter de vraag of deze commissie wel de aangewezen instantie was om te bepalen wat ‘duurzame productie’ inhoudt in de grote productielanden voor biomassa, zoals Brazilië of Indonesië. De commissie-Cramer is te werk gegaan zonder enige consultatie met stakeholders uit deze landen. Dit is niet alleen uit moreel oogpunt discutabel, maar het heeft ook geleid tot een toetsingskader met flinke haken en ogen.
Bijvoorbeeld, genetisch gemanipuleerde gewassen (GGOs) zijn in het Cramer-rapport niet opgenomen als criterium. Zo zou bijvoorbeeld de olie van herbicide-resistente soja (RoundupReady), waar Argentinië vol mee staat, of toekomstige biobrandstoffen van genetisch gemanipuleerde bomen, als ‘duurzaam’ op de Nederlandse of Europese markt gebracht kunnen worden. Het Cramer-rapport stelt verder voor dat de producent van de biomassa, een bedrijf of plantagehouder, een stakeholder-dialoog gaat organiseren op lokaal niveau. Dit lijkt gebaseerd op een zeer onrealistische voorstelling van de werkelijkheid. Grootschalige producenten hebben de oorspronkelijke bewoners vaak allang weggedrukt, en als dat niet het geval is, hebben ze meestal geen gelijkwaardige verhouding.
Op sociaal vlak gaat de uitbreiding van monocultures vaak gepaard met een exodus uit het platteland, groeiende armoede, gezondheidscrises door landbouwgif, en gewelddadige ontruimingen bij gebrek aan officiële landrechten. Dijk zegt dat de bio-energie teelt werkgelegenheid zal scheppen, wat “..honger juist kan helpen bestrijden”. In werkelijkheid zal het omgekeerde vaak het geval zijn. Ten eerste raken veel mensen hun land, en daarmee hun bestaanszekerheid kwijt. Met name de sojaplantages leveren nauwelijks werk op. Bovendien leidt de productie van biobrandstoffen nu al tot hogere voedselprijzen. Dit effect wordt ook door de commissie-Cramer erkend. Tijdens een bijeenkomst afgelopen week werden door NGOs nog vele andere punten van kritiek ingebracht.
Duurzaamheidscertificering voor biomassa geeft in de huidige context het verkeerde signaal aan ‘de consument’. De vraag naar de betreffende grondstoffen wordt alleen maar verder gestimuleerd met aktief overheidsbeleid, terwijl bijvoorbeeld niets gebeurt aan de enorme importen soja die Nederland als veevoer voor de intensieve veehouderij verbruikt. Bovendien moet bij het opstellen van een dergelijk toetsingskader te allen tijde eerst geluisterd worden naar organisaties en sociale bewegingen in die landen, waar men de gevolgen van het westerse consumptiepatroon aan den lijve ondervindt. In Paraguay en Colombia, bijvoorbeeld, is het concept ‘duurzame productie’ van palmolie of soja, vanwege de grootschalige repressie en geweld, door maatschappelijke bewegingen al radicaal van de hand gewezen.
Nina Holland
De auteur is actief binnen de landbouwcampagne van A SEED en daarnaast werkzaam bij Corporate Europe Observatory (CEO, www.corporateeurope.org) in Amsterdam. CEO is mede-initiatiefnemer van een Open Brief aan de EU instanties met de oproep om het verplichte bijmengingspercentage niet in te voeren. Deze brief is inmiddels ondertekend door meer dan 200 organisaties wereldwijd, waaronder A SEED.
